Instructie meerkeuzevragen

Klik bij de meerkeuzevragen op het juiste antwoord.  Als het fout is probeer je het nog eens!

Een correct antwoord bij de eerste poging levert je 10 puntenop.  Bij de tweede poging 1 punt en bij de derde poging 0,5 punt.

                  betekent fout                                     betekent goed

Plattegronden van landen en steden worden vaak in vakken verdeeld.  Elk vak wordt aangeduid met een (hoofd)letter en een getal.  Dat maakt het zoeken naar een bepaalde plaats gemakkelijker.

 

 1.

Hiernaast zie je een gedeelte van Friesland.

In welk vak ligt het dorp Zwaagwesteinde?

a) vak 6C

b) vak (C,6)

c) vak c6

d) vak C6

 

 2.

Welke plaats ligt in kaartvierkant B3 ?

a) Burgum

b) Veenwouden

c) Dokkum

d) Kollum

 

 3.

Door welke vakken loopt de kortste autoroute van Zwaagwesteinde naar Buitenpost?

a) vakken C6, C7, D7, E7, E6 en F6

b) vakken C6, D6, E6, E5 en F6  

c) vakken C6, D6, E6 en F6

d) vakken C6, D6, R6, E5, F5 en F6 

 

 4.

Hiernaast zie je een andere kaart van ongeveer hetzelfde gebied van Friesland.

In welk vak ligt het centrum van Drachten?

Zwaagwesteinde woonadres CSG Liudger Strandheem Burgumer meer De Leijen Wijde Ee centrum centrum Drachten

a) vakken D11 en D12

b) vak E11

c) vakken C12, D12, D11 en E11

d) vak D11

 

 5.

Op de kaart hiernaast staan 2 rode kruisjes. Schat de fietsafstand tussen beide aangegeven punten.

a) 24 tot 27 km

b) 21 tot 24 km

c) 18 tot 21 km

d)  15 tot 18 km

 

 6.

Beweeg met je muis over het kaartje voor het juiste antwoord.

Welk water ligt in kaartvierkant F10

a) Burgumer meer

b) De Leijen

c) Wijde Ee

d) Strandheem

 

 7.

In welk vak ligt het centrum van Buitenpost?

Vul hier het antwoord in :      

 

 8.

Hoe wordt een vak van een plattegrond ook wel genoemd?

Vul hier het antwoord in :      

 

 9.

Hiernaast zie je een assenstelsel.

Wat zijn de co÷rdinaten van punt O?

a)       0,0

b)  O(0,0)

c) O:(0,0)

d) O(0-0)

 

10.

Wat zijn de correcte co÷rdinaten van punt G?

a)     (12,8) 

b) G(12,8)

c) G(8,12)

d) G:(12,8)

 

11.

Geef de co÷rdinaten van punt H.

a)    16,11

b)    (16,11)

c) H(11,16)

d) H(16,11)

 

 12.

Welk punt ligt op de lijn O(0,0) en (11,11)?

a) punt J

b) I(7,7)

c) (7,7)

d) punt P(2,5;1)

 

13.

Welke van de volgende punten ligt op de denkbeeldige lijn van O(0,0) en (12,8)

a) (7,7)

b) (2,3)

c) (6,5)

d) (3,2)

 

 14.

Hoe wordt een punt in een assenstelsel ook wel genoemd?

Vul hier het antwoord in :      

 

 15.

Hoe wordt co÷rdinaat O(0,0) ook wel voluit genoemd? (gebruik een hoofdletter!)

Vul hier het antwoord in :      

 

Elk systeem kent vaak zijn eigen regels en afspraken, hetgeen verwarrend is om deze te leren.

De veldaanduiding bij een schaakbord (zie hieronder) lijkt op die van plattegronden, maar er zijn verschillen!  De kolommen zijn met KLEINE letters aangegeven, terwijl de nummering van de rijen naar boven toe OPLOPEND is.

 

16.

In welk veld hoort de witte dame te staan bij aanvang van een schaakspel?

a) veld d8

b) veld d1

c) veld 1d

d) veld D1

 

17.

Wit mag beginnen met spelen en doet  e2 - e4 .

Zwart antwoordt door pion c7 ÚÚn hokje naar voren te plaatsen.

In welk veld staat pion c7 dan?

a) veld c6

b) veld c8

c) veld d6

d) veld c5

 

De paardensprong.  De lastigste schaakzet van allemaal?

Het paard maakt een beweging die een combinatie is van 1 veld horizontaal of vertikaal, en 1 veld diagonaal.

Je kunt ook zeggen:   2 velden vertikaal + 1 veld horizontaal (of 2 velden horizontaal + 1 veld vertikaal).  Het paard verplaatst dan over drie velden.

Klik op het plaatje hiernaast als de uitleg nog niet duidelijk is.

18.

Even oefenen.  Kijk naar het kleine plaatje met de uitleg over de paardensprong.

Welke velden kan het witte paard allemaal bereiken?

a) velden b3 en c2

b) velden d4, e3, g3, h4, h6, g7, e7 en d6

c) velden D4, E3, G3, H4, H6, G7, E7 en D6

d) velden f2, e3, g3, h4, h6, g7 e7 en d6

 

Nu wordt het lastiger.

De toren beweegt vertikaal ˇf horizontaal in een rechte lijn.

De toren mag niet over andere stukken springen, alle velden tussen het begin en eindpunt van een zet moeten leeg zijn.  De afstand mag vrij gekozen worden.

De loper beweegt diagonaal over het bord. Net als de toren mag de loper niet over andere stukken springen.

19.

Noem ßlle velden op waar de witte toren van veld c3 kan komen in ÚÚn zet.

a) a3, c1, c8 en h3

b) a3, b3, c1, c2, c4, c5, c6 en d3

c) a3, b3, c1, c2, c4 en c5

d) b3, c2, c4 en d3

 

20.

Noem ßlle velden op waar de zwarte loper van veld c8 kan komen in ÚÚn zet.

a) a8, b8, d8, e8, f8, g9, h8 en c7

b) a6, b7, d7, e6, f5, g4 en h3

c) g6 en g8

d) a6, b7, d7, e6 en f5

 

 21.

SCHAAK!  De zwarte koning wordt bedreigt.  Zwart reageert met  c6 - b6 (de zwarte koning gaat naar veld b6).  Welk zwart schaakstuk staat dan onbeschermd en zal zeker geslagen worden?

Vul hier het antwoord in :      

 

22.

In het assenstelsel hiernaast vormen de punten A, B, C en D een rechthoek. 

Wat zijn de co÷rdinaten van het snijpunt van beide diagonalen?

a) co÷rdinaat (5,2)

b) co÷rdinaat (5,5;2,5)

c) co÷rdinaat (2,5)

d) co÷rdinaat (6,2)

 

23.

Welke co÷rdinaat ligt precies midden tussen de Oorsprong en punt J(9,9) ?

a) (4;4,5) 

b) (4,5;4)

c) (5,5;5,5)

d) (4,5;4,5)

 

24.

De punten E, F, G, H en I liggen logisch op volgorde met een regelmatige onderlinge afstand.

Wat zijn de co÷rdinaten van punt I?

a) I(3,9)

b) I(12,4)

c)   3,9

d) I(9,3)