nieuw vak  |  meenemen  |  netjes werken  |  verzorging werkschrift  |  huiswerk maken  |  opgaven oplossen  |  berekeningen uitwerken  |  huiswerk nakijken  |  uitlegstations  |  toetsen voorbereiden  |  altijd doen  |  klaar

nieuw vak

In het voortgezet onderwijs krijg je te maken met een ‘nieuw’ vak: Wiskunde…

Wiskunde is iets anders dan het rekenen/wiskunde op de basisschool.

Wiskunde is een belangrijk vak, want je hebt het nodig bij veel beroepen.  In veel studierichtingen is het een verplicht vak.

Vooral in het begin moeten er veel nieuwe woorden en vaardigheden geleerd worden en daarom krijg je in de brugklas vier uren les per week in wiskunde!  In de hogere leerjaren wordt dat drie lesuren per week.

Hieronder volgt een omschrijving van de belangrijkste afspraken en werkwijzen.

 

meenemen

Leermiddelen die je élke les altijd bij je moet hebben:

wiskundeboek (deel A óf B)

werkschrift (-map) (groot formaat ruitjespapier (A4) met ruitjes van 1 bij 1 cm (1 cm2)

schrijfpen (zwart / donker blauw),  correctiepen (rood / opvallende inktkleur),

tekenpotlood (grijs),  kleurpotloden (rood, geel, groen, blauw),  gum,  passer,

geodriehoek (geen linialen!)

rekenmachine (verplicht voor VMBO klas 1 t/m 4, de school geeft aan welke typen voorkeur verdienen;  grafische rekenmachine pas vanaf klas 4 havo)

De Wiskdisk kun je thuis laten.  Je krijgt een internetlink om de oefenstof van de wiskdisk online te kunnen gebruiken.

Ook het werkboek hoef je niet persé naar school mee te nemen.  Het uitknippen en inplakken van de plaatjes kun je tevoren of achteraf thuis doen (dat bespaart gewicht en ruimte in je tas en op je werktafel).

Puntenslijper, schaar en lijm zijn niet verplicht, maar soms wel handig om bij je te hebben.  Correctielak/ -lint (Typ-Ex) zijn niet toegestaan!

 

netjes werken

Bij wiskunde is het erg belangrijk dat je netjes en nauwkeurig werkt.  Dit wordt al geoefend tijdens het maken van het huiswerk.  Zorg er voor dat het werkschrift er goed verzorgd uitziet.

Om jullie daarbij te helpen wordt voor in het schrift een checklijst geplakt waarop de docent kan bij houden welke aanwijzingen hij jouw heeft gegeven.

Met behulp van dit volgsysteem krijg je aan het eind van het leerjaar een eindcijfer op al je werkschrift(en).

Als je netjes en overzichtelijk leert werken, zul je merken dat je dan minder fouten maakt.

 

verzorging werkschrift

*  Zorg dat je werkschrift netjes blijft.  Overbodige teksten en versieringen horen niet thuis in of op je werkschrift.

*  Natuurlijk is het meegenomen dat je een duidelijk leesbaar handschrift hebt, maar meestal hoeft je handschrift geen struikelblok te zijn.  Bij wiskunde schrijven wij doorgaans geen lange teksten.

Schrijven doen wij met een donker schrijvende pen.  Lichte mode kleuren (geel of lichtgevend groen) worden niet toegestaan.

*  Voor het maken van aantekeningen of verbeteringen gebruik je een andere kleur dan die van je schrijfpen.  Rood valt meestal duidelijk op, maar je mag dan ook een andere opvallende kleur gebruiken.

Tekenen doen wij met grijs tekenpotlood.  Voor het kleuren of arceren heb je de volgende kleurpotloden nodig: rood, geel, groen en blauw.

*  Voor het tekenen van lijnen gebruik jij je potlood en je geodriehoek (geen liniaal).  Meestal horen de lijnen precies over de roosterlijnen van het papier te lopen.

*  Als je op een nieuwe bladzijde begint moet je eerst een kantlijn op 3 á 4 hokjes van de rand tekenen met potlood en geo.  Vóór de kantlijn noteer je alleen alle opsommingstekens (nummer van de opgave én de letters van de onderdelen).  Voor de kantlijn mogen geen berekeningen gemaakt worden.

*  Zorg voor een overzichtelijke bladverdeling.  De opdrachten moet je onder elkaar uitwerken.  Tussen twee opdrachten slaan we altijd een regel over.
Schrijf bij het begin van een nieuw hoofdstuk altijd op waar dat hoofdstuk over gaat; je kunt de titel zo overnemen uit het boek.

*  Ook het verbeteren van fouten en vergissingen moet op een nette manier gebeuren.  Doorkrassen of het gebruik van Tipp-Ex en andere correctiemiddelen wordt niet toegestaan.  Schrijffouten kun je verbeteren door er één schuine streep doorheen te zetten of door tussen haakjes te zetten.  Tekenfouten kun je herstellen door eerst uit te gummen.

 

huiswerk maken

Werkboek:  Een Tekstvak: & in de kantlijn van het boek betekent dat jij je werkboek moet gebruiken.  Knip het plaatje van die opgave uit en plak dat in je werkschrift.

Goed lezen:  Lees de opdracht altijd goed door.  Als je een opdracht niet begrijpt, kijk dan of er in dezelfde paragraaf een voorbeeld staat waarin de opdracht uitgelegd wordt.  Lees altijd de tekst in de rode balk; hierin staan de nieuwe woorden uitgelegd.

Achterin het boek staat stof uitgelegd die jij in de voorgaande jaren hebt geleerd.

Berekeningen:  Het is bij wiskunde erg belangrijk dat je uitlegt hoe jij aan je antwoord bent gekomen.  Daarmee bedoelen we dat je ALTIJD een berekening of uitleg bij je antwoord moet geven.

Niet begrepen?:  Als jij er nog niet uitkomt, dan geef je dat duidelijk in je werkschrift aan met een vraagteken of uitroepteken.  De eerstvolgende les vraag je aan een medeleerling of de docent om een uitleg.

Zet nóóit een streepje als je de opgave niet begrepen hebt.  Meestal kun je al vast een tekening, een tabel, een formule of een assenstelsel in je schrift zetten.

Niet gemaakt?:  Als je om welke reden dan ook je huiswerk niet (af)gemaakt hebt, geef je dat vóór aanvang van de les door aan je docent.  Meestal spreken wij een moment af dat je weer helemaal bij bent.

Als er tijdens de les bij de huiswerkcontrole (steekproefsgewijs) achterstand geconstateerd wordt, is de kans op problemen groter.  De tijd die je dan krijgt om in te halen is vaak veel korter.  Soms moet het dezelfde dag nog af!

 

opgaven oplossen

VERKENNING: Bestudeer de opgave, bijhorende informatie en figuren
Schrijf álle gegevens verkort bovenaan de uitwerking
of Schets de situatie en noteer álle gegevens en hulplijnen er bij

VERDIEPING:   Lees nog eens goed wat er precies gevraagd wordtZo doe je dat!
Schrijf de te gebruiken formule(s), schema(’s), tabellen, enz. op
Schat de te verwachten uitkomst

UITWERKING:  Bereken het antwoord van de opdracht(en)
 Schrijf álle reken-tussen-stappen op

NABESCHOUWING: Check of het antwoord bij de vraag past; klopte de schatting?
Controleer of alle onderdelen van de vraag zijn beantwoord

 

berekeningen uitwerken

Gebruikte gegevens vermelden: Schrijf alle gegevens (formules, metriek stelsel, veronderstellingen, bekende feiten, ....) over die in de opgave verstrekt zijn.Zo doe je dat!

Schrijf alle bekende gegevens op die jij al eerder geleerd hebt en waarvan jij nu gebruik van gaat maken.

Berekeningen geven: Noteer álles wat je intoetst en/of uit het hoofd berekend (leg m.b.v. tabellen, grafieken, schema's, schetsen, formules, incl. álle reken-tussen-stappen enz. uit, hoe jij aan je antwoord bent gekomen)

Eindantwoorden formuleren:  Let op de juiste maateenheid (bij aflezen tabellen, schema’s, grafieken het eindantwoord apart bijschrijven)

  Eindcontrole:  Voldoet het antwoord aan de gegeven opdracht(en)?  Is het antwoord herkenbaar met de eerdere schatting?  Zijn bekende / behandelde valkuilen vermeden?  Is de notatie correct?

 

huiswerk nakijken

Voor dat je aan een volgende paragraaf begint moet jij het gemaakte (huis)werk aan het begin van de les zelf nakijken.  De docent controleert alleen of jij bij bent met je werk, of alle opgaven zijn gemaakt en of de verzorging naar behoren is.

Per tweetal of per groep kan er gebruik worden gemaakt van een antwoordenboek.  De antwoorden zijn hierin zeer uitgebreid uitgewerkt en daarom kun je het antwoordenboek ook gebruiken als een uitlegboek.  Schrijf de uitwerkingen niet zomaar over, want daar leer je weinig van en heb je tijdens de eindtoets grote kans op een teleurstellend resultaat.

Bij een correcte uitwerking, en er dus ook een berekening of uitleg bij het juiste antwoord staat, noteer je aan het eind met opvallende kleur een  .

Als je antwoord niet klopt probeer je na te gaan wat je verkeerd hebt gedaan.  Verbeter de opgave met een opvallende kleur en noteer een Tekstvak: ! voor de kantlijn.

Bij de voorbereiding van de eindtoets, weet je snel welke opgave(n) je nog eens kunt herhalen of bestuderen.

Als opgave thuis echt niet lukt of het antwoord niet klopt en je kunt niet achterhalen wat je fout hebt gedaan, noteer je met opvallende kleur voor de kantlijn een Tekstvak: ?.  Vraag de docent of een medeleerling bij het uitlegstation om uitleg.  Daarna moet je de uitwerking wel met een opvallende kleur verbeteren.

 

uitlegstations

Hoewel wij tijdens de lessen in groepen zitten, wordt er gedurende de meeste lessen zelfstandig gewerkt.  Voor het begrijpen en oplossen van de opgaven is concentratie van groot belang.  Een groot gedeelte van les moet er daarom een rustige werksfeer zijn.  Echter, als ieder tweetal aan het overleggen is, is het gefluister al snel oorverdovend!  Voor vragen kun je daarom alléén terecht bij de beide uitlegstations en je docent.  Hierbij gelden de volgende richtlijnen:

Iedereen doet mee aan het ‘bemensen’ van de beide uitlegstations.
Hoewel het rooster gezamenlijk wordt ingevuld, worden indien nodig wijziging(en) aangebracht.  Bij ziekte wordt een (vrijwillige) invaller uit de klas gevraagd/aangewezen.

*  Er mag onderling gewisseld worden, maar dan alleen  jongen«jongen  of  meisje«meisje.  Wijzigingen tevoren overleggen met de docent.

*  De leden van de hulpstations zorgen ervoor dat zij iets voor liggen (± één paragraaf ?) op de rest van de klas.  Je mag die week een antwoordenblad meenemen naar huis.  Bij vragen krijg je voorrang op de rest van de groep.

*  Als het niet lukt een goede uitleg te geven, mag je doorverwijzen naar het andere hulpstation.  Ook de docent kan gevraagd worden om te komen helpen.

*  ijdens de uitleg mag er gebruik worden gemaakt van het antwoordenboek, roosterpapier uit de bureaulade, het bord, enz..

*  Bij de hulpstations wordt fluisterend gesproken.

*  Een bezoek aan het uitlegstation duurt max. 5 minuten en wordt er één opgave besproken.  Je mag later wel terugkomen voor een volgende opgave.

 

toetsen voorbereiden

Sommige leerlingen beweren dat je een wiskundetoets niet kunt 'leren'.  Vaak voegen zij daar aan toe: ‘Je kunt het of je kunt het niet’.

Deels hebben zij gelijk; als jij je huiswerk regelmatig maakt en serieus fouten hebt nagekeken ben je een heel eind op weg.  Onzin is natuurlijk helemaal niets meer voor te bereiden voor een toets.  Zelfs een topsporter blijft lichtelijk trainen om in vorm te blijven voor de wedstrijd.  Ook wiskunde moet je onderhouden.

Wiskunde leer je vooral te DOEN;problemen uitzoeken en veel oefenen.

Dat betekent zoveel mogelijk: -opgaven maken, -oefenen in rekenen en tekenen, -oefenen in oplossen door puzzelen en... -de theorie begrijpen door alle stappen te kunnen uitvoeren.
Fouten maken mag bij wiskunde, want van je fouten kun je leren.  Zorg er wel voor dat je al je fouten duidelijk markeert met een een ! of een ? om tijdens de voorbereiding van de toets de lastigste opgaven nog eens te oefenen om te kijken of je het echt begrepen hebt.

In de samenvatting aan het eind van ieder hoofdstuk staan alle uitleg- en aandachtsblokken overzichtelijk bij elkaar.  Zorg dat je alle nieuwe woorden van dit hoofdstuk begrijpt.
Natuurlijk moet je altijd in de les goed opletten wat de docent vertelt.  Vaak is tijdens de lessen nadrukkelijk aangegeven wat belangrijk is.  Deze signalen moet je duidelijk aangeven in je werkschrift; mogelijk komen deze dingen wel terug in het proefwerk.  Deze aantekeningen schrijf je in je schrift met een opvallende kleur of je zet er een opvallend kader omheen.  Bij de voorbereiding van een toets ben je dan niet te veel tijd kwijt met zoeken naar belangrijke notities!

Kijk ook op mijn internetsite ( http://members.home.nl/jvdweg1 )voor meer tips & truuks, andere oefenopgaven of gewoon leuke toepasselijke ‘spelletjes’ (applets)

 

altijd doen

Geef een berekening of uitleg bij ieder gegeven antwoord.

Eindantwoord goed formuleren; zet er bij wat het is; om welke eenheid gaat het?
Opgaven nakijken met   , ! of ?.
Nooit klakkeloos overnemen uit het antwoordenboek of van een medeleerling; jij houdt jezèlf voor de gek.  Met de eindtoets loop je dan tegen de lamp.
Huiswerk afhebben en nakijken aan het begin van de les.

 

klaar??

Je huiswerk is pas klaar als: álle opgaven gemaakt, nagekeken en verbeterd zijn, álle antwoorden zijn voorzien van een gevraagde toelichting of berekening,
álle aanvullende opdrachten zijn uitgevoerd

Het is verstandig iets vóór te blijven op de planning; je mag dus vast beginnen aan een volgende paragraaf.

Als je echt klaar bent en bij bent met al je opdrachten, mag je na overleg met de docent iets anders doen of voor een extra opdracht naar de mediatheek.